Vervolgverhaal: Hoor je mij, deel 4

0

‘Mooie Roosje, ik wil dat je met me meegaat. Ik wil dat je iemand ontmoet, iemand die heel belangrijk voor me is.’
Waarom?
‘Alsjeblieft?’
Gedachtelezer… bijzonder.
‘Oké.’ Korte antwoorden gingen wel goed vandaag, handig.
Maar waarom zei hij dat ze mooi was? Waarom moest ze iemand ontmoeten die hij  belangrijk vond?
Hij pakte haar hand.
Wat een gevoel, wat een schrik! Elektrisch, zacht maar krachtig. Kon je zo iemand aanraken?
‘Kom maar, het is goed,’ zei hij, een kinderlijke geruststelling. Zachte ogen. Het werkte, ze kon niet meer weigeren.
Zijn auto, ze sloot haar ogen toen ze er in zat. Zij in zijn auto. Het ding was net zo als zijn eigenaar: mooi, snel, gevaarlijk. Waarom had ze hier in toegestemd? Ze kon niet meer terug nu. Was een prooi geworden van een mooie snelle gevaarlijke auto en een nog veel mooiere snelle gevaarlijke man.
Voor het eerst in haar leven voelde ze zich zo ontzettend dom, ze kreeg er tranen van in haar ogen. Kwetsbaarheid. Weerloosheid. Wat beklemmend.
De zachte, krachtige hand was er weer, hield haar hand vast. Zou hij die kwetsbaarheid zien net zoals hij haar gedachten kon lezen? Ze schrok er niet meer van, er was een soort gelatenheid over haar gekomen. De auto sneed stil en snel door het landschap en nam haar onverbiddelijk mee naar een andere stad.
De eerste huizen van de bebouwde kom joegen die hand weer weg van de hare, er moest geschakeld worden, gas teruggenomen worden. Bizar. Ze miste zijn hand. Was het toch geen gelatenheid geweest maar veiligheid? Voelde ze zich echt veilig als hij haar aanraakte?
‘We zijn er,’ zei hij, doorbrak haar gedachten.
Een willekeurig grachtenpand. Hij liep om de auto heen en deed de deur voor haar open, pakte haar hand om haar te helpen met uistappen. Waarom waren verkeerde mannen zo verdomd galant?
Hij bleef haar hand vasthouden, belde aan. Toen de deur van het huis openzwaaide wist ze waarom ze hier stond: de man voor haar was overduidelijk familie van Simon. Zelfde bos rood haar, zelfde kastanjebruine ogen, zelfde glimlach, ietsje ouder misschien. Maar geen geluid.
Geen woorden maar snelle routinematige handgebaren, bij zowel Simon als zijn broer. Verbijstering. Doof.
‘Roos mag ik je mijn grote broer Jort voorstellen?’
Jort stak zijn hand naar haar uit. ‘He Roos, al veel gehoord over je, leuk.’ Dovenstem. Maar wel een stem, knap. Ze schudde zijn hand automatisch.
En Jort was al door Simon ingelicht over haar handicap. Ze zou zich opgelaten moeten voelen. Maar dat gebeurde niet. Wel ontspanning. Hier was begrip, zomaar.
‘Simon heeft me gevraagd om je iets te laten zien Roos.’ Zijn handen vormden de woorden samen met zijn stem. Een logische volgorde van gebaren, begrijpelijk voor wie het wilde zien.
‘Heeft iemand al eens bedacht dat gebarentaal voor jou ook heel handig zou kunnen zijn?’
Simon keek haar aan, kastanjebruine ogen wilden dat het tot haar doordrong. ‘Je ouders, je broers of zussen, iedereen om je heen kan het heel makkelijk leren en dan ben je niet meer zo afhankelijk van een apparaat,’ ging hij verder.
Ha, haar moeder. Dat zou wat zijn, moeite doen voor haar dochter. En haar broers? Hoe lang had ze die al niet gezien? Ze wist geen eens waar ze woonden. Ze schudde haar hoofd, nee, daar had nog nooit iemand aan gedacht.
‘Zou je het willen leren?’ vroeg Jort. Weer die handen. Ze keek naar ze, slanke krachtige vingers, haar ogen bleven er als vanzelf aan hangen. Meer mogelijkheden om gehoord te worden, doventaal. Praten met Simon zonder telefoon. Waarom niet eigenlijk?
‘Je staat er versteld van hoeveel mensen gebarentaal kennen Roos, toch Jort?’
Jort knikte, grijnsde. ‘Er gaat een wereld voor je open.’
Ze pakte haar telefoon.
‘Nou laat de wereld dan maar open gaan,’ las Simon. Hij glimlachte.
Vreemde blijheid. Waarom ben je zo blij, snelle jongen met je snelle auto? Waarom wil je zo graag met mij praten?

‘Roosje?’
Daar was hij weer. Facebookvriend. ‘Je hoeft niet meer voor me na te denken.’
‘Oké?’
‘Mijn baas heeft zich ermee bemoeid.’
‘Goeie baas!’
Ze glimlachte. ‘Geweldige baas!’
‘En nu?’
‘Ik ga gebarentaal leren.’
‘Doventaal?’
‘Yes.’
‘Maar dan moeten ze het wel allemaal leren op je werk, anders heeft het nog geen zin, dan begrijpen ze je nog niet.’
Punt van aandacht! ‘Briljant, maar ik weet niet of ze dat willen.’
‘Waarom zouden ze dat niet willen?’
Stilte… waaromvraag…
‘Roosje? Gaat het goed?’
‘Ja.’
‘Ik denk dat jouw collega’s dat best voor jou over zullen hebben Roos, je bent namelijk echt de moeite waard om mee te praten. Ik doe het elke avond, dus ik kan het weten!’
Weer stilte… tranen.
‘Alles nog oké Roosje?’
‘Nee, ik ben aan het huilen.’
‘Waarom?’
Tweede waaromvraag van de avond. ‘Omdat nog nooit iemand zoiets liefs tegen me gezegd heeft.’ Nu maar snel offline. Bonzend hart. Tranen weghalen.

Shit! Offline. Arme Roos. Hij begon zo langzamerhand echt medelijden met haar te krijgen.
Wat een eenzaamheid. Simon was eigenlijk van plan geweest om zichzelf vanavond bekend te maken aan haar, wilde graag eerlijk zijn. Maar op het laatste moment had hij het niet gedaan, zich plotseling realiserend dat dit online chatten nog wel eens de enige manier zou kunnen zijn waarop ze zich durfde te uiten. Ze wist niet beter, nog niet. En hij wilde heel graag met haar blijven praten.

Ze deed haar best. Binnen een paar dagen had ze de basis van gebarentaal onder de knie. Het was verrassend grappig, leuk, ontspannen om het met haar te oefenen. En de hele redactie oefende met ze mee. Hij had niet eens de kans gekregen het aan ze te vragen, zijn voltallige personeel was al direct zelf met het idee gekomen. Ze hadden een heuse campagne opgezet inclusief flyers en mailbombardement: Geef Roos een stem!
Roos had tranen in haar ogen gehad de eerste keer dat ze dat zelf allemaal had opgemerkt, en vol ongeloof naar haar collega’s gestaard. Maar de realiteit had haar zekerheid gegeven: elke dag tijdens de lunchpauze zaten ze met zijn allen bij elkaar in zijn kantoor en leerden samen met Roos alles wat Simon kende.
Het deed Roos zo goed, die steun van haar collega’s. Het was logisch maar toch ook bijzonder om te zien. Ze veranderde. Roos had humor. Lachte om zichzelf, maakte expres verkeerde woorden, soms schunnige maar vaak ook gewoon grappige versprekingen. Roos werd eindelijk een deel van het team, een deel van zijn wereld.
Simon keek ernaar uit, elke dag oefenen met Roos was elke dag een stapje verder naar een gewoon leven. Gewoon kunnen praten zonder elektronische tussenkomst. Wat een opluchting zou dat zijn.
‘s Avonds bleef hij met haar via Facebook praten. Ze was altijd online en reageerde direct, alsof ze op hem wachtte, alsof ze er naar uitkeek. Hij ging ermee door ondanks vele voornemens om eerlijk te zijn en zichzelf bekend te maken, zelfs om er gewoon mee op te houden, van de ene op de andere dag die account te wissen. Maar elke keer als hij het groene stipje achter haar naam zag staan gingen die goede voornemens direct weer de mist in.
Ze liet op deze manier meer van zichzelf zien dan hij ooit als haar baas te weten zou komen, en het was om de een of andere reden verslavend om haar zo te zien. Kwetsbaarder dan ze eigenlijk wilde zijn, open.
‘…Ben je echt geen homo? Ik praat zo makkelijk met je, ik geloof het gewoon niet dat je hetero bent.’ Roos kon zelf blijkbaar ook niet helemaal volgen waarom ze zo doorkletste tegen hem.
Hij moest grinniken van die opmerking. ‘Heel erg hetero ;-)!’
‘Je bent toch niet getrouwde hé!? OMG JE BENT GETROUWD! Je bent zo’n uitgezakte dikke 40er die in z’n midlifecrisis zit en je secretaresse wil je niet of heeft zelf een dikke reet!’
‘Haha! Ik ben 34 en loop halve marathons. You crack me up Roos!’
‘Waarom ben je dan alleen?’
‘Dat vraag ik toch ook niet aan jou!’
‘Ja duh, bij mij is het duidelijk, I freak them out :). Nu jij…’
‘Ehh, gewoon nooit de goeie persoon ontmoet, geen tijd gehad, hard gewerkt weet ik veel!’ Jeetje Roos, confronterend, en bedankt!

 

Vind jij deze site ook de moeite waard?

Klik dan op deze link naar PayPal.com om een contributie te doen.

Waarvoor onze dank!

Leave A Reply

%d bloggers liken dit: