Grote kleine jongen

0

Als kind had ik een buurjongen die Alfred heette. Alfred leed aan het Downsyndroom maar destijds heette dat nog domweg een “mongooltje”. Een paar jaar ouder dan ik oogde Alfred als een stevige knaap en was bovendien zo sterk als een os. Waar ik in het begin wat angstig voor hem was ivm zijn robuuste uiterlijk en harde stem ontpopte zich later een vreemd soort vriendschap. Wanneer ik mijn postduiven liet vliegen stond hij soms een half uur gebiologeerd naar de rondcirkelende koppels te kijken en begon steevast hard te klappen wanneer ze weer op het hok geland waren. “Duiven zijn leuk, Teun” brulde hij dan enthousiast uit.

De vakantie was daar en ik besloot op verzoek van zijn moeder met Alfred te gaan zwemmen in het buitenbad vlakbij waar we destijds woonden. Fluitend ging hij zich omkleden en kwam vervolgens het hokje uit in een hoog opgehesen gigagrote knalrode speedo met een gele zeppelin als opdruk. Hilariteit alom, ik had er fijn schijt aan en Alfred kennelijk ook.  Nadat hij een paar maal met zijn 85 kilo rakelings naast wat dartelende kinderen een snoeiharde bom had gemaakt besloot de badmeester mij te vragen of mijn buurjongetje misschien wat minder enthousiast wilde zijn. Alfred stapte op de badmeester af, ging wijdbeens met zijn armen over elkaar tegenover hem staan en sliste “ Teun is mijn vriend” … verder niets. De badmeester keek mij wat onthutst en zei: “Wat gaan we nou krijgen?” Geamuseerd trok ik Alfred weg en zei “Zullen we ff een schoenendoos patat en een frikadelletje of 4 gaan scoren, Afred?” Uiteraard viel dit in goede aarde.

Alfred knutselde graag en had in zijn vaders tuin een hut gebouwd. Ik sloeg het geheel al een dag of vier gade toen ik zag dat hij met stroomdraden aan de gang was. “Wat ben je aan het doen, Alfred?” vroeg ik nieuwsgierig. Hij gaf aan een bel op de voordeur van zijn hut te willen hebben en vroeg me om even te helpen. Aldus geschiedde en diezelfde middag kon er al aangebeld worden. Uiteraard moest dat getest worden en gaf hij aan in de hut te willen gaan verblijven terwijl ik dan zogenaamd bij hem op visite kwam. Ik zei hem in de hut te gaan zitten en dat ik over een kwartier langs kwam. Nadat ik binnen wat gedronken had liep ik naar zijn hut en belde aan. Er kwam geen reactie en ik belde nog twee keer. Niets. Ik duwde de deur open en keek naar binnen. Alfred zat in de kleermakerszit een Suske en Wiske te lezen en keek niet op of om. Ik vroeg hem: “waarom doe je niet open?” Geïrriteerd bulderde hij: “Die bel zit er niet voor niks, Teun!! Ik zit te lezen, kom over een half uur maar terug.”

Op een dag stond mijn overbuurman voor de deur met een van mijn duiven. De vleugel was zwaar gehavend en ook de rechterpoot was verminkt. Ik vermoedde dat hij tegen een kabel was aangevlogen en wist dat ik het beest uit zijn lijden moest verlossen. Ik stapte de schuur in en liet een emmer water vollopen. Beschuldig me van dierenmishandeling maar ik had geen ander idee hoe ik dit moest beeindigen. Terwijl ik net op het punt stond om de duif onder te dompelen rukte Alfred de schuurdeur open. Met verwilderde ogen schreeuwde hij: “Wat ben je daar aan het doen, Teun? Wil jij die duif gaan verzuipen? Vuile teringlijer! ”spuugde hij uit. Woest draaide hij zich om en liep stampvoetend weg. Mijn uitleg mocht niet meer baten. Hij stormde zijn hut in, deed de deur op slot en schreeuwde: “jij bent mijn vriend niet meer, Teun!” Aan het einde van de middag probeerde ik het nog eens maar zijn vader overtuigde mij ervan dat het geen zin had. Alfred was kwaad en bleef kwaad. Na dit voorval sluimerde er een apart soort spanning tussen Alfred en mij. Er was iets geknakt. Wanneer hij me zag draaide hij zich om en probeerde oogcontact te vermijden. Het zat me verre van lekker maar liet het maar voor wat het was. Ik dacht dat het nog wel een keer goed kwam.

Inmiddels een jaar of twee verder, kwam ik thuis van vakantie. Nadat ik mijn tassen had weggezet kwam de buurman naar me toe en zei dat Alfred in het ziekenhuis lag. Hij was geopereerd aan een liesbreuk en was besmet geraakt met een ziekenhuisbacterie. De prognose was niet best. Het gebied rond zijn ingewanden was zwaar ontstoken en ze hadden hem een incisie gegeven om het van buitenaf te behandelen. Die dag liep ik rond met een gemengd gevoel. De vakantie was top maar dit dempte het geheel nogal. De volgende dag besloot ik bij hem op bezoek te gaan. Hij lag in een aparte kamer met een doorzichtige tent van plastic om hem heen. Toen ik binnen kwam riep hij: “TEUNIS!!!” Ik ging bij hem zitten en zag dat hij er zwak en mager uitzag. Zijn ogen waren dof en zijn haar zat raar. Hij vroeg naar de duiven en wilde weten of ik de dag er na weer langs zou komen. Ik probeerde neutraal met hem te praten maar voelde een brok in mijn keel zitten die de omvang van een kastanje had. Ik voorvoelde kennelijk dat dit wel eens heel snel afgelopen kon zijn. Zijn vader kwam erbij zitten en probeerde optimistisch mede te delen dat Alfred hierna ook op vakantie zou gaan. Na een uur stond ik op. Alfred keek me aan en zei zacht: “Dag Teun, je bent mijn beste vriend, weet je dat?” Ik knikte en stak mijn duim omhoog.

Twee dagen later kreeg ik het bericht dat Alfred was overleden.  Hij had niks meer gezegd en was de avond nadat ik was geweest in slaap gevallen en niet meer wakker geworden.

Ik kreeg verkering, ging samenwonen en het leven rolde zich voor me uit. Een aantal keren was ik bij zijn graf. Een simpel steentje met zijn naam en de woorden “Grote kleine jongen” was het enige tastbare wat herinnerde aan zijn bestaan. En mijn herinneringen.

 

 

Vind jij deze site ook de moeite waard?

Klik dan op deze link naar PayPal.com om een contributie te doen.

Waarvoor onze dank!

Leave A Reply

%d bloggers liken dit: